? Julianus de Herbergzame
† 1000 · † ? (legendarisch)

- Ook bekend als
- de Gastvrije, Hospitator, de Offervaardige
Julianus de Herbergzame (ook de Gastvrije , Hospitator of de Offervaardige ); † ? (legendarisch)
Legende
Julianus kwam uit een adellijk geslacht. In zijn jonge jaren achtervolgde hij tijdens een jachtpartij een prachtig mannetjeshert. Als op een teken van God zelf draaide het zich plotseling om, ging in volle majesteit voor hem staan en zei: "Dat jíj mij durft te achtervolgen! Jíj die ooit nog eens je vader en moeder zult doden!" De jongeman was zo ondersteboven van deze woorden, dat hij niet meer terug durfde naar het ouderlijk paleis, uit angst dat de voorzegging misschien bewaarheid zou worden. Hij verdween zonder een spoor achter te laten, doorkruiste vreemde landstreken en kwam tenslotte in een onbekend land waar hij in dienst trad van de koning. Of het nu oorlog of vrede was, steeds wist hij de aandacht op zich te vestigen door zijn edele daden. Vandaar dat de koning hem bevorderde tot ridder en hem liet trouwen met een weduwe van een steenrijke kasteelheer.
Het spreekt vanzelf dat Julianus' ouders ontroostbaar waren vanwege zijn verdwijning. Ze trokken de wereld door op zoek naar hun zoon. Zo kwamen ze op een dag aan op het kasteel waar hij nu woonde. Toevallig was hij er op dat moment zelf niet. Zijn vrouw ontving de beide gasten met alle verschuldigde eerbied. Toen zij hun verhaal gedaan hadden, begreep zij dat zij de ouders moesten zijn van haar gemaal. Hij had haar immers vaak over hun verteld. Ze onthaalde hen dus zo hartelijk mogelijk uit liefde voor haar man. Geen moeite was haar te veel. Ze liet hen zelfs de nacht doorbrengen in haar eigen bed.
De volgende ochtend vroeg, op het moment dat zij naar de kerk was voor het ochtendofficie, keerde Julianus terug op het kasteel. Onmiddellijk ging hij naar het slaapvertrek van zijn vrouw om haar wakker te kussen. Nu bemerkte hij dat er twee gestalten onder de dekens lagen. Het schoot door hem heen dat zijn vrouw het dus met een minnaar hield. (Volgens bijgaande afbeelding was het de duivel die hem deze boosaardige gedachte influisterde). Zonder zich te bedenken trok hij zijn zwaard en doodde de twee slapende gestalten. Buiten gekomen liep hij zijn vrouw tegen het lijf die juist terugkwam van de kerk. Verbijsterd vroeg hij toen, wie die twee daar boven in bed dan waren. Waarop zijn vrouw hem antwoordde: "Dat zijn je ouders. Al die tijd zijn ze naar jou op zoek geweest. Ik heb ze in ons eigen bed laten slapen." Het was alsof Julianus zou sterven van verdriet, toen hij dat hoorde. Hij barstte in tranen uit en riep vertwijfeld: "Wat moet er nu van mij worden? Ik zou niet weten waar ik het zoeken moest. Mijn eigen ouders heb ik gedood! Nu is de voorspelling van dat hert toch uitgekomen. En ik had er nog wel alles aan gedaan om er aan te ontkomen. Ik ga je dus verlaten, mijn lief zusje, want van nu af zal ik geen rust meer hebben, totdat ik weet dat God mijn boete en berouw heeft aangenomen." Maar zij antwoordde: "Je denkt toch zeker niet, lief broertje van me, dat ik je alleen laat gaan? Zoals ik je terzijde stond in vreugde, zo laat ik je ook niet in de steek bij verdriet."
Ze trokken dus vandaar weg en gingen tenslotte wonen aan de oevers van een grote rivier. Het was heel gevaarlijk om daar over te steken. Daar leefden zij hun leven van boete en berouw door mensen die de rivier over wilden van de ene oever naar andere te varen. Ze lieten ze overnachten in een herberg die ze ter plaatse hadden gebouwd. Zo verliep er een hele lange tijd. Tot in een ijskoude nacht, waarin Julianus al naar bed was gegaan uit pure vermoeidheid, de klaaglijke stem van een vreemdeling klonk met het verzoek om hem naar de overkant te varen. Onmiddellijk sprong hij op van zijn bed, en rende op de vreemdeling toe.
Deze stierf zowat van de kou. Hij bracht hem zijn huis binnen en legde een flink vuur aan om hem warm te laten worden. Toen dat niet hielp, en de man nog altijd zat te rillen van de kou, legde hij hem in zijn eigen bed. De man was aangevreten door de melaatsheid, waardoor hij ook nauwelijks wat kon zien. Julianus dekte hem met zorg en liefde toe. Op dat moment veranderde hij plotseling in een stralende engel. (Volgens anderen was het Christus zelf).
Terwijl hij opsteeg ten hemel, riep hij naar zijn gastheer: "Julianus, weet dat de Heer mij naar je toe gezonden heeft met de boodschap dat Hij je boete en berouw heeft geaccepteerd. En dat je binnenkort, samen met je vrouw, zult ingaan in de vrede van God." Daarop verdween de engel uit het gezicht. Niet lang daarna ontsliepen Julianus en zijn vrouw in de Heer, na een leven vol naastenliefde en goede werken.
Verering & Cultuur
Patronaten
Afbeeldingen











Bronnen
- •The BENEDICTINE MONKS of St.Augustine's Abbey, Ramsgate 'The Book of Saints. A Dictionary of Servants of God canonised by the Catholic Church: extracted from the Roman & other Martyrologies' New York, MacMillan, 1942 third edition
- •The BENEDICTINE MONKS of St.Augustine's Abbey, Ramsgate 'The Book of Saints. A Dictionary of Servants of God canonized by the Catholic Church: (Sixth) Seventh Edition Entirely revised and re-set' London, Cassell, (1989) 2002. ISBN 0-8264-1616-0
- •Les BÉNÉDICTINS de Ramsgate 'Dix Mille Saints, Dictionnaire Hagiographique' Brepols, 1991. ISBN 2-503-50058-7
- •ENGLEBERT, Omer 'La Fleur des Saints. 1910 prénoms et leur histoire' Paris, Albin Michel, 1984. ISBN 2-226-00906-X
- •MüLLER, Adalbert 'Allgemeines Martyrologium oder vollständiger Heiligenkalender der katholischen Kirche usw' Regensburg, Joseph Manz, 1860
- •'Legenda Aurea. Le bienheureux Jacques de Voragine. Traduite du latin par Teodor Wyzewa' Paris, Perrin et Cie, 1902
- •Dries van den Akker s.j./2010.04.03
© A. van den Akker s.j. / A.W. Gerritsen — overgenomen van heiligen.net