Heiligen.net

Anne Line

† 1601 · (oorspronkelijk Heigham · alias Mevrouw Martha), Tyburn, Londen, Engeland; martelares onder de anglicanen

Anne Line staat op de voorgrond met wit kapje, caramelkleurig gewaad, wit schort en sleutels op zij. Martelaren van Engeland & Wales ?
1925, schildering
Onder: Overweging door Anne

Zij werd rond 1565 geboren in de Engelse plaats Dunmow in het graafschap Essex. Haar ouders behoorden tot de lagere adel, en waren met hart en ziel de zaak van het Calvinisme toegedaan. Nog vóór haat twintigste ging Anne over tot het katholicisme, evenals haar broer William. Prompt werden beiden door hun ouders ontfermd en voorgoed uit het ouderlijk huis verbannen. In 1585 trouwde Anne met Roger Line. Net als zij was hij overgegaan naar de katholieke kerk en prompt door zijn ouders onterfd. In 1586 werd er in hun huis een katholiek priester op heterdaad betrapt, terwijl hij voorging in de Heilige Mis. Dat was in het anglicaanse Engeland officieel bij wet verboden. Haar man werd gevangen genomen en het land uitgezet. In 1594 kwam het bericht dat hij in het buitenland was overleden.

Nu stond Vrouwe Anne er alleen voor. Haar gezondheid was geknakt, daar zou ze de rest van haar leven de nodige last van ondervinden. Een Londense jezuïetenpriester, Pater John Gerard († 1637; sterfdag 27 juli) die clandestien in Engeland verbleef, schoot haar te hulp. Hij gaf haar een baantje in een tehuis dat in het geheim werd gebruikt om priesters onderdak te verlenen. Daarnaast deed zij naai- en verstelwerk voor hulpbehoevende katholieken en droeg zij zorg voor katholieke kindertjes. Zij stond bekend als Mevrouw Martha.

Dit is wat pater Gerard daar zelf over vertelt in zijn ‘Herinneringen’:

‘De verzorging van dit huis vertrouwde ik toe aan een goede en verstandige weduwe; later zou zij de eer van het martelaarschap ontvangen. Zij was van een voorname familie; haar meisjesnaam was Heigham en de naam van haar echtgenoot Line. Zij en haar man waren beiden gezegend door God en hadden veel te lijden voor zijn zaak. Toen haar vader, een protestant, hoorde dat zijn dochter katholiek werd, weigerde hij haar de bruidschat et geven die hij haar beloofd had. Om dezelfde reden beroofde hij ook een van zijn zoons van zijn erfdeel; maar deze man, William Heigham, werd broeder en is thans werkzaam in Spanje. Het is nu 26 jaar geleden dat ik hem voor het eerst ontmoette, een welbespraakt, keurig gekleed jongmens, gelijk de andere edelgeboren Londenaars van zijn tijd. Toenmaals herbergde hij een priester, father Thompson († 1586; feest 4 mei) , van wiens marteldood ik later getuige was…

Zijn zuster, mevrouw Line, huwde, gelijk gezegd is, een zeer braaf edelman, een ferme katholiek, die een groot landgoed zou erven. Toentertijd lag zijn vader (of misschien ook zijn oom: hij was erfgenaam van beiden) op zijn sterfbed en zond hem een boodschap in de gevangenis. Daarin smeekte hij hem zich aan te passen en tenminste eenmaal naar de protestantse kerk te gaan, want anders zou zijn erfdeel naar zijn jongere broer gaan. De goede man antwoordde kordaat: “Als ik zou moeten kiezen tussen de wereld verlaten of God, dan verlaat ik de wereld, want het is goed God aan te hangen.” Zo gingen zowel het landgoed van zijn vader als van zijn oom over op zijn jongere broer. Ik heb die eens ontmoet op de kamer van zijn oudste broer. Hij was gekleed in modieuze zijde, terwijl zijn broer gewone en goedkope kleren droeg. Later ging deze brave ziel om zijn geloof in ballingschap, naar België, en de koning van Spanje gaf hem een lijfrente, waarvan hij een deel opstuurde naar zijn vrouw. Inderdaad, hun leven was er een van armoede en heiligheid.

Toen haar man gestorven in België was, was mevrouw Line in deze wereld zonder vrienden en geheel afhankelijk van Gods voorzienigheid. Daarom bracht ik haar – vóór mijn gevangenneming (1594, 23 april) – naar huize Wiseman waar ik verblijf hield, en de familie gaf haar onderdak en logies, terwijl ik haar voorzag in al haar andere behoeften.

Toen ik besloten had een opvanghuis  in te richten, kon ik geen beter persoon bedenken dan haar om het te verzorgen. Zij was in staat om met geld om te gaan, het hele huishouden te doen, naar de gasten om te zien en opdringerige onbekenden af te wimpelen. Zij was vol vriendelijkheid, zeer bescheiden en bezat haar ziel in grote vrede. Toch was zij een chronische invalide, altijd lijdend aan de ene kwaal of de andere. Dikwijls kon zij zeggen: “Ik wens zo, meer  dan alles, te sterven voor Christus, maar het is te veel om te hopen dat dit door beulenhand zal gescheiden. Mogelijk zal onze Heer mij eens met een priester laten gevangennemen en in een koude, vunzige kerker werpen, waarin ik het niet lang zou uithouden in dit ellendig leven.” Zo sprak zij en inderdaad, haargenoegen was in de heer, ‘en de Heerverleende haar de genoegens van haar hart.’

Na mijn ontsnapping uit de Tower (1597, 4 oktober) gaf zij het beheer van dát huis op. Zij was toen aan zoveel mensen bekend dat het onveilig voor mij was om enig huis te bezoeken waarin zij verbleef. In plaats daarvan huurde zij vertrekken in een  ander gebouw en ging door met het schuilhouden van priesters. [Dat huis verzorgde zij voor mij drie jaar en zij diende er vele priesters. In die tijd legde zij ook de gelofte van zuiverheid af]. En dag evenwel [Maria Lichtmis, 2 februari 1601] liet zij een ongewoon aantal katholieken toe om mis te horen. Dat zou zij nooit gedaan hebben in mijn huis, omdat zij meer bezorgd was voor mijn veiligheid dan voor de hare. Enige buren merkten de menigte op en meteen waren daar de agenten aan huis. Zij renden naar boven en vonden een kamer vol mensen. De celebrant was Francis Page, de latere jezuïet en martelaar († 1602; feest 20 april). Hij had de gewaden uitgetrokken voor de vervolgers binnenstormden. Daarom waren zij niet in staat de priester eruit te halen. Maar het rustige en bescheiden voorkomen van de father verried hem. Zij kregen argwaan en begonnen hem uit te horen, met een aantal andere aanwezigen. Niemand evenwel gaf toe dat er een priester in huis was. Maar omdat het altaar klaarstond voor de mis, bekenden zij wel dat zij wachtten op een priester die moest komen. De vervolgers wilden het verhaal niet geloven en in het gekibbel dat hierover ontstond, nam father Page zijn kans waar op het moment dat iemand de deur opende: hij ontglipte aan de greep van de mannen die hem vasthielden, sprong naar buiten en gooide de deur achter zich dicht. Hij rende de trappen op naar een kamer waarvan hij wist dat mevrouw Line daar een schuilplaats had laten maken. Hij kwam er veilig in. Het hele huis werd afgezocht, maar hij werd niet gevonden.

Mevrouw Line en het gegoede deel van de bijeenkomst, werden naar de gevangenis gebracht; de anderen werden vrijgelaten tegen borgstelling. God verlengde het leven van onze martelares langer dan zij had durven hopen. Maar na enige maanden werd zij dan toch voor het gerecht gebracht op aanklacht van het herbergen van priesters. Door de rechters gevraagd of dit waar was, onthield zij zich van commentaar, maar zij riep met luide stem, zodat heel de zaal het horen kon: “Mijne heren, weet u waar ik spijt van heb? Dat ik niet duizend priesters heb kunnen opvangen.”

Zij ontving haar doodvonnis met kennelijke vreugde en dankbaarheid. Toenmaals was zo zwak dat zij in een wagen naar de rechtbank gebracht moest worden en tijdens heel het verhoor moest zitten. Terug in de gevangenis zond zij, kort voor haar terechtstelling, een brief aan father Page, de priester die ontsnapt was, toen zij gearresteerd werd. Ik heb die brief nog bij mij. Daarin beschikte zij over haar weinige bezittingen en vermaakte mij een fijn bewerkt gouden kruis dat had toebehoord aan haar man. Drie maal vermeldde zij mij in die brief, met de aanduiding ‘mijn vader’. Zij liet mij ook enige kleine schulden na met het verzoek die voor haar te betalen. Later vermaakte zij mij mondeling haar bed, maar toen ik het kwam kopen van de gevangenbewaarders die na haar dood haar cel geplunderd hadden, was het enige dat ik krijgen kon, haar deken. Sindsdien heb ik die telkens gebruikt als ik in Londen was. Ze voelde als een veilige bescherming.

Toen zij bij de plaats van de terechtstelling was gekomen, stonden daar predikanten klaar om haar te plagen met aansporingen om haar dwalingen op te geven. Maar zij liet niemand tot zich toe: “Ga weg, ik heb niets met jullie te maken,” zei ze kortaf. Toen kuste zij in verrukking het schavot, knielde neer en begon te bidden. Zij ging door met bidden, tot de beul zijn arbeid had verricht.’

John GERARD ‘Vogelvrij. Herinneringen van John Gerard. Volgens de Engelse uitgave van Ph. Caraman voor de Nederlanden bewerkt door Cl. Beukers’ Antwerpen, Patmos, 1961pp:64-67

Ze werd zalig verklaard in 1929. In 1970 werd zij heilig verklaard als een van de veertig martelaren van Engeland en Wales.


Bronnen

© A. van den Akker s.j. / A.W. Gerritsen — overgenomen van heiligen.net