Dodo was een vrome man van Friese afkomst. Aanvankelijk was hij getrouwd, maar na verloop van tijd besloot hij in te treden bij de
Norbertijnen
van klooster Mariëngaarde. Toentertijd stond dat onder leiding van abt Siard, die later als heilige zou worden vereerd († 1230; feest 14 november).
Tegelijkertijd werd Dodo's vrouw Norbertines in klooster Bethlehem, gelegen ter hoogte van het huidige Bartlehiem. Dodo kreeg toestemming om als kluizenaar te gaan leven op een afgelegen landgoed in de buurt van Bakkeveen. (Later zou Siard daar een nieuwe priorij vestigen). Dodo nam één sobere maaltijd per dag; hij droeg een ijzeren harnas op de blote huid en daaroverheen een boetekleed. Elke dag maakte hij zo'n vijfduizend kniebuigingen, zodat zijn knieën uiteindelijk meer weghadden van kamelenknieën. Elke nacht stond hij op om te bidden.
Op uitnodiging van de plaatselijke priester verhuisde hij naar Haske om er zielzorg uit te oefenen. Hij streed vooral tegen het verschijnsel van de bloedwraak. Wanneer iemand onrecht was aangedaan of letsel had opgelopen, nam een ander lid van die familie wraak op een bloedverwant van de dader. Vele mensen zochten hem op in zijn kluis, een armzalig bouwseltje, om er goede raad en troost te halen. Hij stierf op zondag na Maria Boodschap in het jaar 1231. Op het moment dat hij zijn dagelijkse gebeden deed, stortte zijn gammele hutje in; hij werd bedolven onder het puin en dodelijk gewond. Mensen die hem onder de brokstukken vandaan haalden, getuigen dat hij aan handen en voeten de kruiswonden van Christus (
stigmata
) vertoonde.