Heiligen.net

Pachomius van Tabennisi

† 347 · Egypte · woestijnvader

Illustratie.
Ook bekend als
de Grote, de Oudere, van Pabau, van Tabenne
Onder: Woestijn en Ergens voor gaan

Pachomius werd rond het jaar 287 geboren in het plaatsje Esneh (nu: Isna aan de Nijl) in het zuiden van Egypte als kind van een heidense boerenfamilie. Zijn naam betekent 'valk' in de Egyptische taal of 'adelaar' in het koptisch. Na de verplichte militaire dienst bekeerde hij zich tot het christendom en ging ongeveer vaaf het jaar 308 in de leer bij Palemon, een monnik die op zijn eentje een zeer streng en sober leven leidde ten dienste van God. Zulke mensen worden anachoreten of eremieten genoemd.

Van 320 tot 325 bouwde hij bij Tabennisi niet ver van Thebe aan de Nijl een klooster dat hij met muren omgaf. Daar bracht hij al de monniken die tot dan toe elk op hun eentje hadden gewoond, bijeen tot een vorm van gemeenschapsleven. Hij schreef er ook een regel voor. Aldus werd Pachomius de grondlegger van het verschijnsel klooster-gemeenschap.

Op een goed moment trok hij zich terug naar het buurklooster Pabau en stelde zijn leerling Theodorus van Tabennisi († 368; feest 16 mei) als zijn opvolger aan. Hij stond ook aan de basis van het beroemde Deir Al Mouharrak (Heilig Mariaklooster) aan de Nijl. In totaal stichtte hij negen of tien mannen- en twee vrouwenkloosters en gaf leiding aan ca negenduizend monniken en nonnen.

Zoals van vele andere kluizenaars en monniken verteld wordt, had ook hij een bijzondere band met de dieren. Tegen het eind van zijn leven - aldus een van de verhalen - was hij zozeer gegroeid in Godsvertrouwen, dat hij op schorpioenen of slangen kon trappen zonder dat het hem deerde; en dat, terwijl hij altijd blootvoets liep. Als hij aan de andere oever van de Nijl moest om een van de door hem gestichte kloosters te visiteren, en hij naderde de waterkant, kwam er onmiddellijk een krokodil aanzwemmen, klom in alle eerbied op de kant en nam hem op de rug. Begeleid door een aantal andere zwom hij naar de overkant en zette zijn meester af precies voor de poort van het klooster waar hij zijn moest... Wanneer de heilige dan na enige tijd weer aan de oever verscheen, lagen zijn krokodillen nog steeds te wachten om hem weer mee terug te nemen naar Tabennisi.

160p:51; 166p:46

Bij zijn dood - hij was toen ongeveer 60 jaar - bestond er een geheel van negen grote kloosters voor mannen, met in totaal zo'n 9000 monniken, en twee voor vrouwen.

De monniken baden en zongen, werkten en aten in gemeenschap; ze moesten leren lezen en schrijven om de Heilige Schrift te kunnen lezen. Gehoorzaamheid aan de abt (= 'vader' van de kloostergemeenschap) was van het begin af aan de belangrijkste pijler, waarop de kloostergemeenschap was gebaseerd.

Uit economisch oogpunt gezien waren de kloosters perfecte voorbeelden van bedrijfsvoering.

Na zijn dood nam zijn leerling Theodorus († na 350; feest 14 mei) de leiding over het klooster op zich; de nagedachtenis aan deze Theodorus wordt op dezelfde dag gevierd als die van zijn leermeester. Er bestaat een levensbeschrijving van Pachomius, die kort na zijn dood werd geschreven. Daaruit geven we enkele fragmenten.

'Toen de niet-gelovige vorsten de kracht van het geloof in Christus zagen, begonnen zij de christenen overal te vervolgen. Een groot aantal martelaren leverde zich over aan tal van kwellingen tot de dood erop volgde en verwierf de kroon van de overwinning. De laatste van hen was de moedige Petrus, patriarch van Alexandrië († 311; feest 25 november).

Daarop kwam het geloof tot grote bloei in de heilige kerkgemeenschappen over heel het land. Men begon kloosters en bedehuizen te bouwen. Immers, zij die het eerst van allen monnik werden, waren nog getuige geweest van wat de martelaren hadden te verduren. Daarom volgden zij op hun beurt het gedrag van de profeet Elia (vgl. 2 Koningen 01,08) en van degenen over wie Paulus heeft gezegd: "Zij waren bedroefd en verdrukt, ronddwalend in woestijnen en bergstreken, wonend in de spelonken en holen der aarde" (Hebreeëen 11,37-38). Zo offerden zij aan God hun ziel en hun lichaam in moeizame oefeningen van godsvrucht en in zuivere vreze des Heren, niet alleen omdat zij dag en nacht het kruis beschouwden, maar ook omdat zij de martelaren hun strijd zagen leveren. Zij zagen hen en volgden hen na.'

Naar 'Het Leven van Sint Pachomius en van zijn eerste opvolgers'; vert. J.Hessing osb; inleid. H.van Cranenburgh; Bonheiden, 1979; reeks Monastieke Cahiers 9 (61/62)

'In het bisdom Esneh was er een zekere Pachomius, wiens ouders heidenen waren. Door een bijzondere instorting van Gods erbarming werd hij christen te Sjeneset (in het Grieks: Chenoboskion), een dorp in het bisdom Diospolis. Zijn grote vorderingen maakten van hem een volmaakte monnik.'

Naar 'Het Leven van Sint Pachomius...' (63)

Hoe verliep dat proces?

'Toen de vervolging ten einde kwam, werd de grote Constantijn keizer; hij is de eerste christen in de opeenvolging der Romeinse Keizers. Al in het begin van zijn regering viel een Perzische tiran hem aan, om hem de macht te ontnemen. Aanstonds gaf hij in zijn hele rijk order, grote en sterke mannen op te roepen, om ten strijde te trekken, tegen Gods vijand. [...] Ook de jonge Pachomius, toen twintig jaar oud, werd opgeroepen. In feite was hij niet zo heel sterk, maar gezien het buitengewoon groot aantal dat gevorderd moest worden, werd ook hij opgeroepen.

Toen hij werd weggeleid om met de andere manschappen ingescheept te worden, verzuchtte hij met de ogen ten hemel: [...]"Mijn Heer Jezus Christus, God van alle heiligen: bevrijd mij uit deze moeilijkheden; ik van mijn kant beloof u het mensdom dienstig te zijn alle dagen van mijn leven." [...] Telkens als zijn gezellen een of andere stad binnengingen voor de proviandering [...], oefenden ze vaak druk uit op Pachomius en wilden ze hem meelokken naar slechte huizen om er werelds plezier te genieten.

Maar hij berispte zijn gezellen daarover, daar hij de zuiverheid liefhad die aan God en zijn engelen lief is.'

Naar 'Het Leven van Sint Pachomius...' (65/66)

'De vrome keizer Constantijn slaagde erin met Gods hulp zijn vijand te verslaan. Terstond kondigde hij in heel de wereld een dekreet af om alle opgeroepenen uit de dienst te ontslaan. Eenmaal vrij ging iedereen weer vol vreugde naar huis. Ook de jonge Pachomius trok naar het zuiden, totdat hij Sjeneset bereikte, een verlaten dorp, verschroeid door de grote hitte. [...]. Hij ging er een tempeltje [ergens op de oever van de Nijl] binnen en bad. Gods Geest kwam over hem en sprak: "Strijd en houd hier uw verblijf." Dat beviel hem; hij vestigde zich op die plaats en verzorgde er enige groenten en palmbomen om voedsel te hebben voor zichzelf en voor een of andere arme uit het dorp, en ook voor het geval dat een reiziger op de weg of per boot langs kwam. Hij had inderdaad de gewoonte met een groot aantal om te gaan, zodat velen zelfs hun woonplaats verlieten om in dat dorp te komen wonen, vanwege de manier waarop hij hun moed insprak.'

Naar 'Het Leven van Sint Pachomius...' (66)

'Na daar drie jaar verbleven te hebben bemerkte hij, dat hij zeer veel volk rond zich verzameld had, en dat hij er hinder van kreeg. Zij lieten hem inderdaad nooit een ogenblik met rust. Van toen af zocht hij monnik te worden en het leven van een kluizenaar te leiden. Terwijl hij erover nadacht vandaar weg te trekken, hoorde hij spreken van een ouderling-asceet, Palamon geheten. Dit was een groot monnik die buiten het dorp woonde en tot toonbeeld en vader voor velen uit zijn omgeving was geworden. Pachomius stond nu zijn verblijf af aan een andere ouderling-monnik, opdat deze zou zorgen voor de groenten en de palmbomen met het oog op de nood van de armen.

Zelf vertrok hij vandaar en ging aankloppen bij de heilige monnik apa (= 'vader') Palamon († ca 325; feest 11 januari). Deze gluurde door zijn kijkgat en zei kortweg:

"Wat klop je bij mij aan?" Hij sprak nogal bruusk.

Pachomius antwoordde: "Vader, ik wens, als u het goed vindt, monnik te worden bij u."

Palamon sprak: "Wat je zoekt is geen kleinigheid; velen zijn reeds gekomen om hetzelfde te doen, maar konden het niet volhouden. Integendeel, beschaamd zijn die weer weggegaan, omdat zij zich geen moeite getroostten voor de deugd. Toch beveelt de Schrift ons dit op vele plaatsen; zij spoort ons aan ons af te matten in vasten, nachtwaken en veel gebed, teneinde onze verlossing te bereiken. Ga dus maar heen, terug naar huis en hou het bij wat je hebt. Zo zul je eervol zijn in Gods oog. Ofwel, onderzoek jezelf heel nauwkeurig om te achterhalen wat je aankunt; kom dan terug; dan zijn wij bereid om in de mate van onze zwakheid je zwoegen te delen totdat je jezelf kent. Hoe dan ook, we gaan je eerst het monniksleven uitleggen; daarna ga je weg om jezelf te onderzoeken, of je al dan niet dit leven aankunt.

Welnu, de regel van het monniksleven die onze voorgangers ons hebben geleerd, is de volgende.

. Te allen tijde waken wij de helft van de nacht - soms zelfs van de avond tot aan de morgen toe -, terwijl we Gods woord reciteren, en met draad, haar of palmboomvezels allerlei handwerk verrichten; zowel om te voorkomen dat de slaap ons lastig valt, als ook om ons het nodige voedsel te verschaffen.

. Wat wij meer hebben dan voor onszelf nodig is, geven wij aan de armen volgens het woord van de Apostel: "Wij moeten altijd de arme gedenken" (Galaten 2,10). Met olie bereide spijzen, wijn en gekookt eten zijn onder ons te enen male onbekend.

. Te allen tijde vasten wij tot de avond, tijdens de zomer elke dag, tijdens de winter om de twee of drie dagen.

. Wat de gebeden betreft is er deze regeling: zestig gebeden overdag en vijftig gedurende de nacht, de schietgebeden niet meegerekend, die we doen om geen leugenaars te zijn, want ons is bevolen "zonder ophouden te bidden" (1 Thessalonicenzen 5,17); en: "dat hij die te lijden heeft, moet bidden" (Jakobus 5,13). Onze Heer Jezus Christus maant ook zijn volgelingen: "Bidt, opdat ge niet in bekoring komt" (Matteus 26,41); het gebed is immers de moeder van alle deugden.

Nu heb ik je de wet van het monniksleven uitgelegd; ga en onderzoek jezelf nauwkeurig. Indien je in staat bent te doen wat ik je geleerd heb, en je je niet laat afschrikken of terugdeinst, dan zullen wij ons mateloos met je verheugen." [...]

Pachomius antwoordde hem: "Reeds in alles heb ik mijn ziel beproefd; én met Gods hulp én door uw heilige gebeden ben ik vol vertrouwen dat uw hart gerust zal zijn omtrent mij."

De grijsaard antwoordde hem: "Goed dan."

En terstond ontving hij hem met vreugde en gedurende vele dagen hield hij hem bij zich om te beproeven.

Pachomius was van de avond tot de morgen in gebed verzonken, zei de gebeden en werkte intussen met zijn handen, om te onderzoeken hoeveel slaap hij nodig had en om na te gaan hoelang hij het kon uithouden zonder onwel te worden. Toen de avond viel, namen zij hun sober maal. De ouderling sprak tot Pachomius:

"Maak het riet nat, het latwerk en ook de vezels, en wel zoveel dat we er genoeg aan hebben om de hele nacht te waken, want op zaterdagnacht waken wij van de avond tot de morgen."

Pachomius deed in alle nederigheid wat zijn vader apa Palamon hem bevolen had. Kort na zonsondergang stonden zij op en, onafgebroken wakend, aanbaden en loofden zij God, zonder hun handwerk te onderbreken. Als de slaap hen overmande, veranderden zij van werk, om de druk van de slaap te verdrijven. Wanneer zij merkten dat de slaap hen toch overmeesterde, stonden zij op, gingen de berg op buiten hun verblijf, en droegen het zand dat daar lag, in korven van de ene plaats naar de andere, aldus hun lichaam afmattend om maar wakker te blijven voor het gebed tot God. Als de ouderling de jongeman van slaap zag omvallen, moedigde hij hem aan en zei:

"Wees waakzaam, Pachomius, om te voorkomen dat de satan je bekoort, want velen zijn gevallen door toe te geven aan de kwellende druk van de slaap."

Toen de ouderling zag, dat Pachomius tot aan het uur van de gebedsdienst weerstand bood, was hij vol blijdschap om zijn gehoorzaamheid en zijn voortgang, en prees er zichzelf gelukkig om wegens zijn heil.'

'Het Leven van Sint Pachomius...' (68/71)

Verering & Cultuur

Pachomius wordt afgebeeld als woestijnvader of monnik in gebed, vaak gekleed in een dierenvel zonder mouwen of korte rok; ook wel met een dierenhuid over zijn schouders; soms met een visioen aan de hemel.

Hem worden wetstafelen overhandigd door een engel: door zijn regelgeving is hij a.h.w. de Mozes van het kloosterleven in gemeenschap; met de duivel die hem verleidt in de gedaante van een mooie vrouw.

In de oosterse kerken is zijn hoofd steeds bedekt met een kap.



Afbeeldingen

Nederland [in 149/2 p:256] Palaemon neemt afscheid van zijn leerling Pachomius.
< 1839, Gravure, boekillustratie. Nederland [in 149/2 p:256] Palaemon neemt afscheid van zijn leerling Pachomius.
Een engel verschijnt aan vader Pachomius.
1555, Wandschildering — St-Paulsklooster. Een engel verschijnt aan vader Pachomius.
< 1654, Houtsnede — Antwerpen
1725, Gravure — Nürnberg
Illustratie.
. Illustratie.
2008, wandschildering — Marasesti

Bronnen

© A. van den Akker s.j. / A.W. Gerritsen — overgenomen van heiligen.net