Christina de Wonderbare
† 1224 · van St-Truiden, België · kluizenares & mystica

- Ook bekend als
- l'Admirable, the Astonishing, Mirabilis
Zij werd in 1150 geboren te Brustem bij Sint-Truiden. Ze stierf in het St-Catharinaklooster te St-Truiden.
Over haar bestaat, zoals haar naam al aangeeft, een wonderlijke legende.
Legende
naar:
RIBADINEIRA, Petrus & ROSWEYDUS, Heribertus 'Generale
Legende
der Heylighen met het Leven Iesv Christi ende Marie vergadert wt de H.Schrifture, Oude Vaders, ende Registers der H.Kercke van Nievws vermeerdert ende Ghedeylt in tvvee Deelen T'Antwerpen by Hieronymus Verdussen inde Camerstraet inden Rooden Leeuw M.DC.XXXX [Tweede Deel]
De gedenkwaardige maagd Christina werd uit eerzame ouders geboren te Bruesthem bij Sint-Truiden. Toen haar ouders gestorven waren, droegen haar beide zusters haar op de beesten te hoeden. Hoewel zij dus het vervelendste werk moest doen, verliet Christus haar niet. Zij leidde het leven van een gewone onopvallend gelovige vrouw. Zo kwam zij te overlijden. Tijdens de uitvaartmis stond haar lijk zoals gebruikelijk midden in de kerk opgesteld. Plotseling richtte haar lichaam zich op en vloog als een vogel omhoog naar de balken in de zoldering van kerk. Daar bleef zij verder de hele mis. Maar toen gebood de priester haar streng naar beneden te komen. Zij keerde uiteindelijk met haar zusters naar huis terug. Toen zij weer wat op verhaal was gekomen, drongen haar vrienden en kennissen er bij haar op aan te vertellen wat zij gezien en doorstaan had. Daarop begon zij te vertellen.
'Op het moment van mijn overlijden hebben engelen mij meegnomen naar een donkere, naargeestige plaats waar veel mensen zaten. De folteringen die ik daar te zien kreeg, waren zo afschuwelijk en wreed dat ze met geen tong te uit te spreken zijn. Ik zag daar veel mensen die ik tijdens hun leven heb gekend. Ik had medelijden met deze zielen en ik vroeg waar we waren; ik dacht dat het de hel moest zijn. Maar mijn begeleiders gaven te kennen dat dit het vagevuur was, de plaats waar berouwvolle zondaars hun zonden moeten uitboeten. Daarop brachten ze mij naar de folteringen van de hel. Daar zaten ook mensen die ik kende. Tenslotte brachten ze mij naar het paradijs voor de troon van de goddelijke majesteit. Toen ik de Heer zag, werd ik vervuld met blijdschap. Ik verkeerde in de veronderstelling dat ik eeuwig bij Hem mocht blijven. De Heer kende mijn verlangen en sprak: "Mijn lieveling, je zult zeker met mij zijn. Maar ik houd je een keus voor: ofwel je blijft verder hier bij mij, ofwel je keert terug in je lichaam om boete te doen voor de onsterflijke zielen. Door je lichaam te pijnigen zul je alle zielen die je zojuist in het vagevuur hebt gezien, van hun pijnen kunnen verlossen. Bovendien zul je door je voorbeeld vele mensen tot mij kunnen bekeren. Daarna kom je terug bij mij en ik zal je vorstelijk belonen." Ik hoefde niet lang na te denken: ik antwoordde dat ik later terug zou komen. Daarop gaf hij zijn engelen bevel mij naar de wereld terug te brengen en de rest hebben jullie zelf gezien. Wees dus niet verbaasd als je mij vreemde dingen ziet doen, want het is God zelf die het aan mij heeft gevraagd.'
In deze woorden weerspiegelt zich de vroomheid van de late middeleeuwen. De dood en het uiteindelijke oordeel speelden een grote rol. Men stelde zich hemel, hel en vagevuur uiterst aanschouwelijk voor. De woorden van Christina worden God in de mond gelegd en aldus van een goddelijk gezag voorzien.
Men zou hierin een literair procédé kunnen herkennen. Het leven van Christina heeft indruk gemaakt en tegelijk veel vragen opgeroepen. Op deze manier wordt verteld dat dit haar roeping was, haar levensideaal dat zij van God had ontvangen.
Enige tijd later ging Christina alleen wonen. Zij voelde zich niet meer zo op haar gemak tussen de mensen. Zij verbleef in de wildernis.
Zij volgt hierin de woestijnmonniken na van de eerste eeuwen en duizenden kluizenaars, die de wildernis introkken. Zij namen een voorbeeld aan Jezus die zijn openbaar leven begon met een verblijf van veertig dagen in de wildernis.
Soms werd zij gezien in boomtoppen dan weer boven op een kerktoren.
Zij was in de ogen van de mensen 'wereldvreemd' geworden en woonde dicht bij God, aanschouwelijk voorgesteld in die hoge verblijfplaatsen.
Vandaar dat haar vrienden dachten dat zij van de duivel bezeten was geraakt. Met veel moeite wisten ze haar te pakken te krijgen en met kettingen vast te binden. Maar nu leed zij allerhande gebrek en vooral de mensen kon zij niet luchten. Met Gods hulp wist zij uiteindelijk te ontsnappen en opnieuw vluchtte zij de wildernis in. Hoewel zij haast doorzichtig was van magerte, leed zij toch zo nu en dan honger. Omdat de mensen haar zo tegenstonden, vroeg zij God of Hij haar te hulp wilde komen. Toen begonnen haar borsten, geheel tegen de loop van de natuur in, melk te geven. Daarmee hield zij zich negen weken lang in leven.
Negen weken duidt op een novene, een negen weken durende gebedsperiode. Het verhaal suggereert dat zij gevoed werd met inwendig voedsel, met datgene wat er in haar binnenste, in haar ziel was!
Om aan haar vrienden te ontkomen die haar nog steeds achterna zaten, nam zij de wijk naar Luik. Daar ontving zij het Heilig Sacrament uit de handen van een priester. Onmiddellijk deden zich vreemde verschijnselen bij haar voor. Met een collega probeerde hij haar te pakken te krijgen. Ze vluchtte in de richting van de Maas. Zij veronderstelden dat ze daar vast zou lopen, maar tot hun verbazing zagen ze hoe zij van de oever af het water instapte en er aan de andere kant weer ongedeerd uitkwam.
Een wonder dat een beetje aan Jezus deed denken, die immers over het water wandelde, en ook sterker was dan de krachten die ten dode voeren.
Toen begon Christina te doen waarom zij door God naar hier teruggestuurd was: zij begaf zich in gloeiende vuurovens en had zo alle pijnen te verduren die wij mensen te verduren hebben. Zij schreeuwde het uit van de pijn. Maar toen zij weer naar buiten kwam, bleek zij er niets van overgehouden te hebben. Als zij geen vuurovens vond, wierp zij zich in de haardvuren van de huizen. Of ze stak er alleen haar handen of voeten in. Zij hield dat zo lang uit dat ze bij een normaal mens allang tot as zouden zijn verbrand, maar hier betrof het een wonder. Een andere keer stapte zij ook in een ketel met kokend water, zodat het water wel tot haar borsten reikte of tot zo hoog als de rand van de ketel kwam. Over de lichaamsdelen die er boven uitstaken goot zij dan juist koud water, waarbij ze uitgilde als een barende vrouw. En als er uitkwam, vertoonde zij geen enkel letsel. 's Winters bleef zij wel zes dagen of langer in de Maas onder water. Maar de priester die verantwoordelijk voor haar was, kwam dan op de oever van de rivier staan en gelastte haar in de naam van Christus er uit te komen. Wat zij dan deed. Ook zag men haar 's winters wel onder de raderen van een watermolen staan. Dan stroomde het water over haar hoofd en haar hele lichaam. Of zij kwam in het water aangezwommen en viel dan met het water op het rad van zo'n molen. Maar ook daarna was er aan haar niets bijzonders te zien. Zelfs onderging zij wel dezelfde kwellingen als moordenaars die tot het rad veroordeeld zijn. Ook na zulke dingen was er aan haar niets gebroken. Zij hing zich wel eens op aan een galg temidden van de dieven, en bleef dan zo één of twee dagen hangen. Soms daalde ze af in de grafkelders der doden en beweende daar de zonder der mensen.
In de ogen van normale mensen worden hier de meest vreemde dingen van de heilige verteld. De vraag is, wat de middeleeuwse verteller er voor tekenen van heiligheid in meende te herkennen. De bedoeling schijnt in ieder geval te zijn dat zij deel heeft aan het lijden van de mensen, verzinnebeeld in de hete vuren waarvoor zij komt te staan, ja waar zij zich zelfs in begeeft (ze worden haar na aan de schenen gelegd); die vuren zijn vaak de haardsteden van de mensen! Het koude water moet wel dezelfde gevoelswaarde hebben, evenals de raderen waartussen zij terechtkomt (zegswijze: voor in de knel komen), en de straffen van de misdadigers waarin zij deelt (vgl. daarbij onze uitdrukking 'opgroeien voor galg en rad').
Aan deze vreemde verschijnselen kwam pas een einde door toedoen van een zekere zuster Beatrijs. Zij bracht haar weer een beetje onder de mensen. Toen werd Beatrijs ziek, en Christina nam haar verzorging op zich. In die periode stierf ze voor de tweede keer. Maar omdat nu Beatrijs zonder verzorging achterbleef, keerde ze andermaal tot het leven terug en verpleegde haar tot haar dood. Daarna stierf Christina voor de derde keer, en - zegt de legende - nu om voorgoed in het eeuwig leven te worden opgenomen.
Interpretatie van de legendes van Christina van Sint-Truiden
Hoewel het hier op het eerste gezicht bizarre verhalen betreft, waarvan de moderne lezer meteen zal denken, dat ze niet echt gebeurd kunnen zijn, is het goed om er op dezelfde manier bij stil te staan als bij de verhalen uit de bijbel. Ze vragen om een uitleg, die enerzijds recht doet aan de middeleeuwse mentaliteit en anderzijds aan ons gevoel voor realiteit.
Dan merken we in ieder geval op, dat Christina twee keer aan een nieuw leven is begonnen. Zo gezien staat er, dat ze aanvankelijk een onopvallend leven leidde. Dat was het eerste gedeelte van haar leven.
Vervolgens leidt ze het leven van een kluizenaar in de bossen rond Sint-Truiden; een wereldvreemde vrouw is ze geworden. Ze beangstigt zelfs de mensen, en is ongrijpbaar geworden. In het verhaal van haar opstanding uit de dood wordt dan uitgelegd dat haar nieuwe leven wordt geïnspireerd door het verlangen zielen uit het vagevuur te redden. Dat vraagt kennelijk een andere levenswijze dan de gewone manier van leven, zoals ze die tot nog toe had gepraktiseerd.
De tweede verandering in haar leven vindt plaats in de vorm van de verzorging van een zieke. Daaraan wijdt zij al haar zorg, tijd en aandacht. Ze geeft er zelfs haar vroegere, wereldvreemde levenswijze voor op. Ook dat wordt weer beschreven in termen van sterven en verrijzen.
Zo gezien, staat Christina op de drempel van de Middeleeuwen en de Nieuwe Tijd.
In de Middeleeuwen werd een heilige gekenmerkt door zijn persoonlijke strijd met de duivels en de machten in de eenzaamheid van de cel, de kluis of het klooster. Vanaf de derde eeuw in Egypte (Antonius abt), via de vierde eeuw in Kappadocië (Basilius en Macrina) en Frankrijk (Martinus), de zesde eeuw in Ierland (Kolumba) , en de daaropvolgende eeuwen in Bretagne en tenslotte in de gehele christenheid van het oosten en het westen trekken gelovigen de 'woestijn' in om hun gevecht te leveren met de machten van het kwaad. Daarmee volgen ze Jezus na, toen Hij veertig dagen vastte in de woestijn.
Maar in de Nieuwe Tijd - vanaf 1300 - is een heilige iemand die bijzondere zorg heeft voor de naaste (vgl. Elisabeth van Thüringen enz.). De nadruk ligt dan niet meer op de bijzondere mystieke gaven en de wonderen, hoewel die niet afwezig hoeven te zijn, maar op de dienst aan de medemens. Nu wordt Jezus nagevolgd in zijn dienst aan de armen: hongerigen, dorstigen, daklozen, naakten, gevangenen, zieken en 'doden' in alle betekenissen van dat woord.
Het zijn precies die twee vormen van heiligheid die Christina tijdens haar wonderbare leven achtereenvolgens doorlopen heeft.
Afbeeldingen


© A. van den Akker s.j. / A.W. Gerritsen — overgenomen van heiligen.net